Blaasoperatie

Binnenkort komt u naar het ziekenhuis voor een operatie aan uw blaas. Hier kunt u lezen wat de operatie inhoudt en hoe de verdere gang van zaken is.

De blaas

De blaas ligt onderin de buikholte, vlak achter het schaambeen. Vanuit de nieren stroomt de urine via de urineleiders in de blaas. Daar wordt de urine opgevangen. Via de plasbuis wordt de urine vervolgens geloosd.

De blaaswand is aan de binnenkant bekleed met slijmvlies en bestaat verder uit verschillende spierlagen. Het binnenste van de blaas heet de blaasholte.

Blaastumoren

Tumoren van de blaas kunnen zowel goedaardig als kwaadaardig zijn. In verreweg de meeste gevallen (95%) is er echter sprake van een kwaadaardige tumor en dus van kanker.

Kwaadaardige tumoren worden onderverdeeld in oppervlakkig groeiende tumoren en invasief (of infiltratief) groeiende tumoren. Een oppervlakkig groeiende tumor bevindt zich zowel in het slijmvlies als in het spierweefsel.

Ook een oppervlakkige blaastumor moet altijd verwijderd worden. Als dat niet tijdig gebeurt, kan de tumor namelijk groter worden, bloedingen gaan veroorzaken en op den duur uitgroeien tot een invasieve tumor.

Een blaasoperatie (TURT)

Om een blaastumor weg te halen, vindt meestal een operatie plaats. Deze operatie wordt ook wel TURT genoemd: Trans Urethrale Resectie van de Tumor. Transurethraal betekent “via de plasbuis” en resectie betekent “wegsnijden”. Omdat de ingreep via de plasbuis verloopt, houdt u er geen uitwendige wond aan over.

Verloop van de operatie

Op de dag van de operatie of de dag ervoor wordt u opgenomen in het ziekenhuis.

Tijdens de operatie schuift de uroloog via de plasbuis een dun buisje (cystoscoop) tot in de blaasholte. Het buisje is voorzien van een cameraatje en een lichtbron, zodat de uroloog de blaas van binnen kan bekijken. Aan het buisje zit een metalen draad (een lisje) waardoor elektrische stroom loopt. Met behulp daarvan kan de uroloog de tumor laagje voor laagje wegsnijden.

Door kleine beschadigingen aan de blaaswand kunnen bij het opereren bloedinkjes ontstaan. Deze worden met het metalen lisje dichtgebrand.

Gedurende de operatie wordt de blaas gespoeld met spoelwater. Van tijd tot tijd wordt de blaas geleegd. Het spoelwater wordt opgevangen en de weggesneden stukjes tumorweefsel worden eruit gezeefd. Deze worden later in het laboratorium onder een microscoop onderzocht door een patholoog (arts die weefselonderzoek doet).

Anesthesie

Een blaasoperatie vindt plaats onder algehele anesthesie (narcose) of onder regionale anesthesie (ruggenprik).

Na de operatie

Wanneer u na de operatie weer goed wakker bent, brengt men u van de operatie-afdeling terug naar de verpleegafdeling.

Na de operatie zit er een katheter in de blaas. Dit is een dun slangetje, dat via de plasbuis naar buiten loopt. Met behulp van de katheter wordt de urine automatisch afgevoerd, zodat de operatiewond in de blaas beter kan genezen. Ook kan via de katheter vloeistof worden ingebracht om het operatiegebied schoon te spoelen. Vaak blijven na de operatie namelijk bloedstolsels achter in de blaas. Ten gevolge van de bloedstolsels is de urine eerst lichtrood gekleurd.
Als de urine weer helder is, kan de katheter er weer uit. Meestal is dat één of twee dagen na de operatie het geval.

In uw arm heeft u na de operatie een infuus. Dit is een slangetje waardoor u vocht en geneesmiddelen toegediend kunt krijgen. Het infuus wordt weggehaald als uw bloedwaarden goed zijn, en als u niet (meer) misselijk bent en weer goed kunt drinken.

Om trombose te voorkomen, krijgt u de eerste dagen na de operatie dagelijks een injectie.

Naar huis

Wanneer u zonder katheter weer redelijk normaal kunt plassen, mag u in overleg met de uroloog naar huis. Meestal is dat één tot twee dagen na de operatie.

Weer thuis

Het is belangrijk dat u de eerste zes weken na de operatie een aantal leefregels in acht neemt:

  • geen zware lichamelijke activiteiten
  • niet zwaar tillen
  • niet persen tijdens de stoelgang (indien nodig: laxeermiddelen gebruiken)
  • veel drinken (minstens twee liter per dag)

Klachten

Na de operatie kunnen verschillende klachten optreden:

  • u kunt last krijgen van blaaskrampen en een schrijnend gevoel hebben in de plasbuis
  • u zult waarschijnlijk vaker moeten plassen dan anders en met meer aandrang
  • er kan wat bloed in uw urine zitten.

Deze klachten zijn op zich niet verontrustend en gaan in de loop van enkele weken vanzelf over.

Complicaties

Tijdens en na de operatie kunnen zich verschillende complicaties voordoen:

  • Afhankelijk van de grootte en de plaats van de tumor bestaat er een kleine kans dat er bij het opereren een gaatje in de blaas ontstaat. De vloeistof waarmee de blaas gedurende de operatie gespoeld wordt, kan dan buiten de blaas komen. Om lekkage te voorkomen, wordt de operatie in zo’n geval beëindigd. Een klein gaatje in de blaaswand sluit doorgaans vanzelf, na het inbrengen van een katheter. Is het gat groter, dan is in zeer zeldzame gevallen een open-buik-operatie nodig om het gat te sluiten en het weggelekte vocht te verwijderen.
  • Korte tijd na de operatie kan een blaasbloeding optreden. Behalve dat u bloed verliest, kunnen zich dan bloedstolsels vormen. Meestal stopt zo’n bloeding als er via het katheter spoelvloeistof in de blaas is gespoten. In een enkel geval is het nodig de blaas te spoelen terwijl u onder algehele verdoving bent.
  • U kunt na de operatie last krijgen van een urineweginfectie die gepaard gaat met koorts. Meestal is een urineweginfectie goed te behandelen met antibiotica.
  • Weken na de operatie kan er nog een ontsteking optreden, die zich bij mannen soms uit als een ontsteking van de bijbal. Normaal gesproken is zo’n ontsteking afdoende te behandelen met antibiotica

Bij mannen is het mogelijk dat er langere tijd na de operatie een vernauwing van de plasbuis ontstaat. Om dit te verhelpen is soms een operatieve ingreep nodig.

Neemt u de volgende gevallen contact op met de uroloog of met de huisarts:

  • als de hoeveelheid bloed in uw urine toeneemt of als er duidelijke bloedstolsels in uw urine zitten die het ledigen van de blaas bemoeilijken
  • Als u meer dan 38’5˚C koorts heeft
  • Als u niet meer kunt plassen of erg brandende pijn heeft bij het plassen

Controle

Een week na de operatie heeft u een afspraak bij de uroloog. U krijgt dan de uitslag van het weefselonderzoek: u hoort of de tumor goedaardig of kwaadaardig is en, in het laatste geval, of er sprake is van een oppervlakkig groeiende tumor of een invasief groeiende tumor.

Als uit het onderzoek gebleken is dat u een oppervlakkige blaastumor heeft, kan de uroloog u een aanvullende behandeling adviseren om de kans op terugkeer van de tumor te verkleinen. Na een operatie bestaat namelijk altijd de mogelijkheid dat de tumor terugkomt. Meestal bestaat een aanvullende behandeling uit blaasspoelingen met bepaalde vloeistoffen.

Als u een invasieve tumor blijkt te hebben, is vrijwel altijd een vervolgbehandeling nodig. Tijdens uw bezoek zal de uroloog de verschillende behandelmogelijkheden met u bespreken.

Nog vragen?

Als u nog vragen heeft over de operatie, kunt u contact opnemen met de polikliniek Urologie.