1. Inleiding
Hier vindt u nadere informatie over de verschillende soorten verdoving: algehele anesthesie (narcose) en regionale verdoving. Voorafgaand aan een operatie heeft u een afspraak met de anesthesioloog.
2. De anesthesioloog
Voor de operatie maakt u kennis met de anesthesioloog. Dat is de arts die zich heeft toegelegd op de verschillende vormen van anesthesie, de pijnbestrijding en intensieve zorg rondom de operatie. De anesthesioloog is van uw ziekte op de hoogte. Hij of zij zal u mogelijk vragen stellen over uw gezondheid, welke medicijnen u gebruikt en of u allergisch bent voor bepaalde medicijnen. Ook kunt u vragen verwachten over eerdere operaties en hoe u toen op de anesthesie reageerde. Zo krijgt de anesthesioloog een induk van uw gezondheidstoestand.
De anesthesioloog die u voor de operatie heeft gesproken, zal niet altijd degene zijn die u de verdoving zal geven. Wel is deze natuurlijk bekend met hetgeen met u besproken is.
Van het opnamebureau heeft u een vragenlijst gekregen. Wilt u deze thuis zorgvuldig en volledig invullen en meebrengen naar de anesthesioloog.
Graag ook alle medicijnen die u gebruikt, of een actueel medicijnpaspoort meenemen.
Na dit gesprek heeft u eventueel nog een gesprek met de afdelingsverpleegkundige en wordt eventueel nog bloed geprikt en een hartfilmpje (ECG) gemaakt.
3. Voor de operatie
Het is belangrijk dat u voor de operatie nuchter bent. Dat geldt zowel voor narcose als voor regionale verdoving. Het betekent dat u tot uiterlijk 6 uur voor de opnametijd nog mag eten en dat u tot 2 uur voor de opnametijd nog thee/koffie (zonder melk) of water/appelsap mag drinken.
De reden dat u voor de operatie nuchter moet blijven is niet, zoals veel mensen denken, om misselijkheid te voorkomen, maar om te voorkomen dat tijdens de narcose etensresten vanuit de maag in de longen terechtkomen waardoor een ernstige longontsteking kan optreden. Dit geldt ook als u een regionale verdoving krijgt, want als die verdoving niet (goed) werkt, krijgt u eventueel toch narcose.
Wij verzoeken u geen make-up te gebruiken (ook geen bodylotions e.d.) en alle sieraden thuis te laten (ook alle piercings), zodat deze niet kwijtraken of u schade kunnen berokkenen.
4. Soorten verdoving
Er zijn twee vormen van verdoving
- regionale verdoving (zie 4.1)
- narcose (zie 4.2)
Elke verdoving heeft zijn voor- en nadelen.
Bij de vraag of u algeheel of regionaal verdoofd wordt, spelen drie factoren een rol:
- wat is mogelijk en wenselijk bij uw operatie
- hoe is uw gezondheid
- wat zijn uw wensen.
De anesthesioloog zal met u bespreken wat voor u de beste methode is en waarom. Wanneer hij zelf geen voorkeur heeft, zal uw eigen voorkeur de doorslag geven. De anesthesioloog en u komen dan samen tot een besluit.
4.1 Regionale verdoving
Bij regionale verdoving wordt een deel van uw lichaam verdoofd: bijvoorbeeld een arm of een been of de onderste lichaamshelft wordt tijdelijk ongevoelig voor pijn en minder beweeglijk en krachtig gemaakt.
De ruggenprik
Veel patiënten zijn aanvankelijk heel huiverig voor een ruggenprik. Maar als men het eenmaal heeft meegemaakt, dan horen we vaak: "Is dit nou alles?"
Hoe wordt de ruggenprik uitgevoerd?
U krijgt een infuus en wordt aangesloten aan de bewakingsapparatuur. Daarna gaat u zitten of op uw zij liggen met gebogen rug.
Nadat de huid ontsmet is, krijgt u met een dun naaldje een prikje om de huid te verdoven; dit kan een beetje branden.
De echte ruggenprik zult u dan nog nauwelijks voelen. U voelt wel wat druk in de rug en u kunt eventueel een schokje voelen in uw been of bil. Door deze naald wordt de verdovingsvloeistof ingespoten.
Eventueel kan de anesthesioloog via de naald een heel dun slangetje in de rug inbrengen. Door dit slangetje kan tijdens en na de operatie pijnbestrijding worden toegediend (om deze pijnstilling te regelen zal elke dag na de operatie een van de anesthesiologen bij u langs komen). Dit slangetje is zo dun dat u er nauwelijks iets van merkt, u kunt er gewoon op liggen. Ook wordt er dan uit voorzorg een slangetje in de blaas (blaaskatheter) ingebracht.
Al na enkele minuten merkt u dat de verdoving begint te werken en dat uw benen warm worden. Deze verdoving bereikt meestal na 10 minuten haar optimale werking en houdt enkele uren aan, afhankelijk van welke en hoeveel verdovingsvloeistof is ingespoten.
Voordat de operatie begint, zal de verdoving eerst getest worden, zodat we zeker weten dat het goed werkt. Het kan zijn dat u tijdens de operatie voelt dat de chirurg met u bezig is. U voelt echter geen pijn.
Er zijn patiënten die er tegen opzien tijdens de operatie wakker te zijn. Indien u dat wenst kan de anesthesioloog via het infuus een licht slaapmiddeltje inspuiten, waardoor u wat slaperig wordt en van de operatie niets hoeft mee te maken. Hiermee blijven de voordelen van de ruggenprik bestaan en krijgt u toch geen narcose toegediend waardoor u na de ingreep direct wakker bent.
Het kan gebeuren dat u de eerste uren na de ruggenprik niet kunt plassen. Soms kan het dan nodig zijn om met behulp van een slangetje de blaas leeg te maken.
Wat zijn de voordelen van een ruggenprik:
- Goede pijnstilling tijdens en tot enkele uren na de operatie
- De mogelijkheid wakker te blijven tijdens de operatie
- Een sneller herstel met minder complicaties na een (grotere) operatie.
Aan een ruggenprik zijn echter ook enkele nadelen verbonden:
- Bij minder dan één op de honderd patiënten kan een vervelende hoofdpijn optreden, die overigens wel goed te behandelen is. Als u hier last van krijgt, moet u dat melden aan de verpleegkundige of, als u weer thuis bent, aan uw huisarts.
- Soms moeite met plassen op de dag van de operatie;
- Het tijdelijk niet kunnen bewegen van de benen;
- Niet iedereen vindt het prettig om tijdens de operatie wakker te zijn; dat kunnen we verhelpen met een licht slaapmiddeltje
- Er kan een lage bloeddruk optreden. De anesthesioloog is hierop bedacht en zal daartegen maatregelen nemen
- Soms komt het voor dat het verdoofde gebied zich verder naar boven uitbreidt. U merkt dat doordat uw handen gaan tintelen. Misschien kunt u wat moeilijker ademen. De anesthesioloog zal u wat extra zuurstof toedienen. Meestal zijn de klachten daarmee opgelost.
- Het komt voor dat er rugpijn ontstaat op de plaats waar de prik is gegeven. Dit heeft te maken met de houding tijdens de operatie. De klachten verdwijnen meestal binnen enkele dagen.
In plaats van een ruggenprik kan bij sommige operaties ook een 1-beensverdoving toegepast worden.
U krijgt dan een prik in de bil of in de lies. Hierbij wordt een naald gebruikt waar stroompjes doorheen gestuurd worden om te bepalen of de naald goed zit. Wanneer de spieren van uw boven- of onderbeen gaan samentrekken, weten we dat de naald goed zit en wordt op die plaats de verdoving ingespoten.
Voor alle regionale verdovingen van het onderlichaam of de benen geldt, dat u pas naar huis mag als de verdoving uitgewerkt is. Dit om te voorkomen, dat u op weg naar huis niet goed wordt of door de benen zakt.
Arm- of handoperatie
Bij arm- of handoperaties, is het mogelijk alleen die arm of hand te verdoven. Dat gebeurt meestal met behulp van een injectie in de oksel of onder het sleutelbeen.
Tijdens het prikken worden er stroompjes door de naald gestuurd, waardoor de spieren in de arm gaan samentrekken. Wanneer de vingers gaan bewegen, weten we dat de naald goed zit en wordt de verdoving ingespoten.
De arm is meestal binnen 20 - 30 minuten verdoofd en blijft daarna nog gedurende een aantal uren gevoelloos. Als de verdoving langer dan 24 uur werkt, moet u dat even melden aan de verpleegkundige of (als u weer thuis bent) aan uw huisarts.
Op de plaats waar geprikt is, kan een bloeduitstorting ontstaan. Dit kan geen kwaad en gaat vanzelf weer weg.
Ook is het mogelijk de arm te verdoven via een infuusnaaldje. Om uw bovenarm wordt een strakke band aangebracht. Met een rubberen zwachtel wordt zoveel mogelijk bloed uit de arm geperst, waarna die strakke band opgeblazen wordt. Daardoor kan er tijdelijk geen bloed in de arm komen. Via het infuusnaaldje wordt dan verdoving ingespoten, zodat uw arm tot die strakke band verdoofd wordt. Na de operatie (minimaal na 45 minuten) wordt die strakke band weer van uw arm gehaald, waarna het bloed er weer in kan en de verdoving er weer uit gaat. U kunt zich dan even wat licht in uw hoofd voelen.
Het gevoel komt dan bijna meteen weer terug.
Schouderoperatie
De regionale verdoving van de schouder bestaat uit een prik in de nek/schouder. Hierbij wordt een speciale naald gebruikt, waar stroompjes door heen gestuurd worden om te bepalen of de naald goed zit. Wanneer de spieren van de schouder zich samentrekken, zit de naald goed en wordt de verdoving ingespoten.
Deze verdoving blijft enkele uren werken. Na zo’n verdoving kunt u soms tijdelijk wat wazig zien of uw ooglid hangt een beetje. (Ook kan er een lichte kortademigheid optreden.)
Bij deze verdovingen van de arm/schouder voelt u misschien dat de chirurg met u bezig is, maar het doet geen pijn. De anesthesioloog kan u eventueel een licht slaapmiddeltje geven via het infuus.
Het kan zijn dat de verdoving van uw arm/schouder nog niet uitgewerkt is, als u naar huis gaat. Dat is geen probleem: zolang de verdoving werkt, heeft u ook geen pijn. U moet die arm wel rust gunnen.
Voor alle regionale verdovingen die hierboven zijn beschreven geldt dat u een walkman, i-pod of MP3-speler mee naar de operatieafdeling kunt brengen.
Oogoperatie
Bij de meeste oogoperaties zal de oogarts u zelf verdoven met verdovende druppeltjes. Maar in enkele gevallen zal hij het verstandiger vinden om u door de anesthesioloog te laten verdoven met een prikje bij/onder uw oog. Voordat u dat prikje krijgt, zullen we u een licht slaapmiddeltje toedienen, waardoor u enkele minuten slaapt, zodat u van dat prikje eigenlijk niets merkt.
Tijdens de operatie bent u waarschijnlijk weer wakker, maar de verdoving werkt dan, dus het doet geen pijn. U kunt eventueel wel merken dat de oogarts met u bezig is.
Bijwerkingen en complicaties
Onvoldoende pijnstilling
Het kan voorkomen dat de verdoving bij u onvoldoende werkt. Soms kan de anesthesioloog nog wat extra verdoving bijgeven. In andere gevallen is het beter om voor een andere anesthesievorm te kiezen, bijvoorbeeld narcose. De anesthesioloog zal dat met u overleggen.
Postoperatieve tintelingen
Door irritatie van de zenuwen door de prik of door de gebruikte medicijnen kunt u, nadat de verdoving is uitgewerkt, nog enige tijd last houden van tintelingen in de arm en de hand. Deze tintelingen verdwijnen in de meeste gevallen in de loop van weken tot maanden vanzelf.
Overgevoeligheidsreacties
Soms komt overgevoeligheid voor het gebruikte verdovingsmiddel voor. Dit kan zich uiten in benauwdheid, huiduitslag of lage bloeddruk. Behandeling is goed mogelijk.
Toxische reacties
De zenuwen die verdoofd moeten worden, lopen vlakbij grote bloedvaten. Zelden komt het voor dat er verdovend medicijn direct in de bloedbaan komt. Dat uit zich in een metaalachtige smaak, tintelingen rond de mond, een slaperig gevoel, hartritmestoornissen, trekkingen en uiteindelijk bewusteloosheid. Behandeling is meestal goed mogelijk.
4.2 De algehele anesthesie (narcose)
Een narcose houdt in dat u in een diepe slaap wordt gebracht waardoor u niets merkt van de operatie.
Eerst krijgt u een infuus in de hand of in de arm. Daarna wordt u aangesloten aan de bewakingsapparatuur en wordt de bloeddruk gemeten.
De slaapmiddelen worden dan in het infuus ingespoten, waardoor u wat draaierig of licht in het hoofd wordt. Daarna valt u in slaap.
Kinderen kunnen ook in slaap gebracht worden met behulp van een kapje en ballon.
Om de ademhaling tijdens de anesthesie te kunnen controleren, wordt in veel gevallen voordat de operatie begint, een plastic buisje in de keel gebracht. U merkt daar niets van, want u bent dan onder narcose.
U wordt in slaap gehouden door continue toediening van slaapmiddelen. Deze toediening wordt aan het einde van de operatie gestaakt. Kort daarna wordt u wakker op de uitslaapkamer. U kunt zich nog slaperig voelen en af en toe wegdommelen.
Bijwerkingen van de narcose
Terug op de afdeling kunt u zich nog wat slaperig voelen, ook kan misselijkheid en braken optreden en kunt u pijn krijgen. De verpleegkundigen weten precies wat ze u kunnen geven. U mag er gerust om vragen. Hebt u een zwaar of kriebelig gevoel achterin de keel, dan komt dat van het buisje dat tijdens de operatie in uw keel zat om de ademhaling te kunnen regelen. Deze irritatie verdwijnt vanzelf binnen een aantal dagen. Veel mensen hebben dorst na een operatie. Als u wat mag drinken, doe dan voorzichtig aan. Mag u niet drinken, dan kunt u de verpleegkundige vragen uw lippen nat te maken om de ergste dorst weg te nemen.
Is narcose veilig?
Door verbetering van de bewakingsapparatuur, het beschikbaar komen van moderne geneesmiddelen en door een goede opleiding van de anesthesioloog en zijn medewerkers is anesthesie tegenwoordig zeer veilig.
Ondanks alle zorgvuldigheid zijn complicaties niet altijd te voorkomen. Zo kunnen er allergische reacties optreden. Bij het inbrengen van het beademingsbuisje kan uw gebit worden beschadigd. En door een ongelukkige houding tijdens de operatie kan een zenuw in de arm of het been beklemd raken, waardoor tintelingen en krachtverlies kunnen blijven bestaan. Het optreden van ernstige complicaties door de anesthesie is vrijwel altijd te wijten aan een calamiteit of het hangt samen met uw gezondheidstoestand voor de operatie.
Vraag uw anesthesioloog gerust of de anesthesie in uw geval bijzondere risico’s met zich meebrengt.
4.3 Combinatie van narcose met ruggenprik
Voor een aantal operaties (bijv. grote buikoperaties) heeft het voordelen om narcose en een ruggenprik te combineren. De narcose die u dan krijgt is minder diep, zodat u sneller weer wakker bent. De ruggenprik zorgt ook voor de pijnstilling na de operatie.
Voor veel patiënten is het een beangstigend idee dat zij buiten bewustzijn gebracht zullen worden en dat anderen dan op hen letten.
De angst om na een operatie niet meer wakker te worden, heeft bijna iedereen in meer of mindere mate. Die angst zullen we waarschijnlijk nooit volledig bij u weg kunnen nemen. U kunt er echter van verzekerd zijn dat u voortdurend door goed opgeleide mensen wordt bewaakt, die dit doen met behulp van moderne bewakingsapparatuur. Er is altijd iemand bij u die als enige taak heeft goed op u te letten. De kans op complicaties is hierdoor bijna te verwaarlozen.
5. Na de operatie
Na de operatie wordt u naar de uitslaapkamer gebracht. Daar wordt u nog enige tijd gecontroleerd en bewaakt (ook als u geen narcose heeft gehad), totdat het weer zo goed met u gaat en u weer zo goed wakker bent, dat u terug kunt naar de afdeling.
Na de operatie kunt u natuurlijk pijn krijgen. De verpleegkundige zal ook bij u informeren of u pijn heeft. Het is belangrijk dat u dan eerlijk antwoord geeft: u hoeft zich niet flink te houden. Een beetje pijn is niet erg, maar als het meer wordt dan een beetje, kunt u pijnstillers krijgen. Deze pijnstillers zorgen er ook voor dat u rustiger wordt, beter door kunt ademen en hoesten. Ook zijn er medicijnen voor als u misselijk wordt of moet braken.
Na grote operaties (bijv. een longoperatie of een grote operatie aan de bloedvaten) gaat de patiënt meestal één of meerdere dagen voor extra bewaking naar de Intensive Care afdeling. In sommige gevallen wordt de patiënt daar nog beademd, totdat de longen en de bloedsomloop weer stabiel zijn. Wij zorgen er dan voor dat u blijft slapen tot de beademing gestopt kan worden.
6. Ontslag
Hoewel de meeste patiënten zich redelijk goed voelen als ze naar huis gaan, raden wij u af om zonder begeleiding naar huis te gaan. Uw reactiesnelheid en geheugen kunnen beïnvloed zijn. In ieder geval is het beslist onverstandig om binnen 24 uur aan het verkeer deel te nemen. (De verzekering zal ook niets vergoeden, als u dan bij een ongeluk betrokken raakt). Ook doet u er verstandig aan om de eerste twee dagen geen belangrijke beslissingen te nemen (bijv. een huis kopen).
Als u zich thuis onwel voelt of veel pijn heeft, moet u in eerste instantie met de huisarts contact opnemen. Indien hij dat nodig vindt, kan hij contact opnemen met een specialist in het ziekenhuis.
Het is heel gewoon dat u zich na een operatie nog een tijdlang niet fit voelt. Dat ligt niet alleen aan de anesthesie, maar ook aan de ingrijpende gebeurtenis die iedere operatie nu eenmaal is. Het lichaam moet zich in zijn eigen tempo herstellen. Dat heeft tijd nodig.
Tot slot
Door onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld spoedoperaties) kan het gebeuren dat uw operatie op het laatste moment niet door kan gaan. Wij begrijpen dat dit heel vervelend voor u is en zullen natuurlijk proberen dit tot een minimum te beperken.
7. Als uw kind geopereerd wordt
Wanneer uw kind geopereerd moet worden, kan een van de ouders aanwezig zijn bij het onder narcose brengen en bij het wakker worden op de uitslaapkamer. Wel verwachten wij van u dat u de volgende instructies opvolgt.
- Voor uw kind gelden dezelfde regels voor het nuchter zijn, tenzij de anesthesioloog anders met u afspreekt. Als ouder wordt u geadviseerd zelf wel te eten. Dit is belangrijk om te voorkomen dat u eventueel zult flauwvallen. De ervaring heeft geleerd dat de ouder soms niet ontbijt door nervositeit of om solidair te zijn met het kind dat nuchter moet blijven.
- Slechts één ouder of begeleider kan aanwezig zijn bij het onder narcose brengen op de operatiekamer en bij het ontwaken van het kind op de uitslaapkamer. Hierbij wordt aangetekend dat het kind ouder is dan 6 maanden en jonger dan 13 jaar.
- Probeert u zo rustig mogelijk te zijn. Richt uw aandacht op uw kind; uw rust maakt het kind rustig.
- Bent u zelf erg gespannen, dan is het misschien beter om niet met uw kind mee te gaan. Wij nemen u dit volstrekt niet kwalijk.
Wees er op voorbereid dat uw kind tijdens het onder narcose brengen wat vreemd gedrag kan vertonen, zoals draaien met de ogen of vreemd bewegen met armen of benen. Dit is heel normaal en hangt samen met de narcosemiddelen die uw kind krijgt toegediend. Uw kind is zich hiervan niet bewust.
Als u zich niet goed voelt, zal de verpleegkundige samen met u de operatiekamer verlaten.
U zult begrijpen dat bij de zorg die wij verlenen de veiligheid voorop staat. Ook proberen wij hierbij ieders privacy te waarborgen.
Wanneer uw kind op de dag van de ingreep naar huis mag (dagbehandeling), dan raden wij u aan om uw kind samen met een andere volwassene in de auto te vervoeren: een auto besturen en tegelijk zorg verlenen aan uw kind als het bijvoorbeeld misselijk wordt, brengt de verkeersveiligheid in gevaar.
Bij de kinderafdeling liggen boeken ter inzage waarin met behulp van foto’s het gebeuren tijdens en rondom de narcose van uw kind wordt beschreven.
PI089-1009